ECLI:NL:CRVB:2005:AT9827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens termijnoverschrijding bezwaar en ontbreken dringende redenen
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard sinds 1992, ontving WAO-uitkeringen die later werden teruggevorderd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens inkomsten als zelfstandige die een lagere arbeidsongeschiktheid suggereerden.
Het geschil betrof de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2001 en de rechtmatigheid van de terugvordering over de periode 1995-1999. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar te laat was ingediend en dat de terugvordering terecht was, mede omdat het besluit van 7 februari 2001 als een besluit in de zin van de Awb werd beschouwd.
De Centrale Raad bevestigde dit oordeel, oordeelde dat de brief van 7 februari 2001 een besluit was ondanks een klein tekstdeel dat ontbrak, en vond geen bijzondere omstandigheden die termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Tevens werd geoordeeld dat de terugvordering verplicht was op grond van artikel 57 van Pro de WAO en dat geen dringende redenen waren om hiervan af te zien.
De Raad wees erop dat de financiële consequenties van de terugvordering, zoals het raken onder de beslagvrije voet, pas bij de invordering kunnen worden beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.