ECLI:NL:CRVB:2005:AU0244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering hogere WW-uitkering wegens niet-erkende arbeidsuren en overuren
Appellant was in 2001 werkzaam als oogstmedewerker en meldde zich op 24 oktober 2001 ziek. Zijn arbeidsovereenkomst eindigde per 31 december 2001. Na een afwijzing van een WAO-uitkering vroeg appellant een WW-uitkering aan, die hem werd toegekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 26,89 per week.
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren, stellende dat hij recht had op doorbetaling van 38 uur per week in de weken 33 tot en met 40 vanwege vakantie en dat overuren ten onrechte niet waren meegenomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat niet-gewerkte uren niet gelijkgesteld konden worden met gewerkte uren en dat geen bewijs was geleverd van structurele overuren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellant in de betreffende weken geen loon ontving en geen werkzaamheden verrichtte, en dat de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren niet van toepassing is. Ook is niet gebleken dat overuren inherent waren aan de functie of contractueel verplicht waren. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren op 26,89 per week bevestigd.