ECLI:NL:CRVB:2005:AU0489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening beëindiging WW-uitkering zonder nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden
Deze zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de herziening van een WW-uitkering. De appellant had de WW-uitkering van de gedaagde per 2 september 1999 beëindigd, omdat zij toen in dienst trad bij het Academisch Medisch Centrum en niet langer volledig werkloos was.
De rechtbank had het beroep van de gedaagde gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging vernietigd, stellende dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat de uitkering ten onrechte werd betaald en dat de herziening pas vanaf 30 oktober 2000 mogelijk was. De Raad stelt dat het bestuursorgaan bevoegd is om op een verzoek tot herziening inhoudelijk te beslissen, maar dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen.
Omdat partijen erkennen dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn, oordeelt de Raad dat het besluit van 30 september 2002 juist was en vernietigt het de uitspraak van de rechtbank. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WW-uitkering blijft in stand.