ECLI:NL:CRVB:2005:AU0492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve opzegtermijn bij weigering WW-uitkering na reorganisatie
Appellant was sinds 1997 in dienst bij een werkgever en verloor zijn functie door een reorganisatie. De arbeidsovereenkomst werd per 15 oktober 2002 ontbonden met een vergoeding. Appellant vroeg WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd gedurende de fictieve opzegtermijn van vier maanden, vastgesteld van 4 september 2002 tot 1 januari 2003.
Appellant voerde aan dat de opzegtermijn onjuist was vastgesteld omdat de CAO en een deelarbeidsvoorwaardenovereenkomst (Davo) een kortere termijn voorschrijven. Tevens stelde hij dat de langere termijn in zijn individuele arbeidsovereenkomst nietig is wegens strijd met de CAO en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel omdat twee collega’s wel een kortere termijn kregen toegewezen.
De Raad oordeelde dat de individuele arbeidsovereenkomst een geldige verlenging van de wettelijke opzegtermijn bevat en dat de Davo niet als CAO kan worden aangemerkt. De langere termijn is geen strijd met de CAO en is niet nietig. De beoordelingsfout bij collega’s leidt niet tot herhaling bij appellant. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De fictieve opzegtermijn is terecht vastgesteld op vier maanden en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.