ECLI:NL:CRVB:2012:BV9332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering wegens onwerkbaar weer bij vorstperiode 2009-2010
In deze zaak gaat het om het recht op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer tijdens de vorstperiode in de winter van 2009/2010. Werknemers van een installatiebedrijf met verschillende functies vroegen een uitkering aan op grond van artikel 18 van Pro de WW, die alleen geldt indien werkloosheid uitsluitend het gevolg is van vorst of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden.
De werkgever had de werktijdverkorting zonder ontheffing doorgevoerd omdat werkzaamheden op bouwplaatsen niet konden doorgaan. De rechtbank vernietigde eerdere afwijzingen van de uitkeringen wegens onvoldoende motivering en oordeelde dat betrokkenen recht hadden op de uitkering. De Raad herzag dit oordeel en stelde dat alleen werknemers die fysiek niet konden werken door vorst, zoals buitendienstmedewerkers, recht hebben op de uitkering.
Werknemers met gecombineerde functies die deels binnen werkten, voldeden niet aan de voorwaarde 'uitsluitend als gevolg van vorst' omdat hun werkloosheid mede door andere factoren werd veroorzaakt. Het gelijkheidsbeginsel verplicht de werkgever niet om eerdere beoordelingsfouten te herhalen. De Raad kende betrokkene 8, werkzaam in de buitendienst, de uitkering toe en bevestigde de afwijzing voor de anderen. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Uitkering op grond van artikel 18 WW toegekend aan buitendienstmedewerker, afwijzing bevestigd voor overige betrokkenen met gecombineerde functies.