ECLI:NL:CRVB:2012:BV9303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onwerkbaar weer voor binnendienstmedewerkers bij vorstperiode
Betrokkenen, werkzaam in de binnendienst bij een producent van bestratingsproducten, vroegen WW-uitkeringen wegens onwerkbaar weer aan voor vorstperiodes in 2010. De werkgever stuurde hen bij toerbeurt naar huis wegens terugloop van werkzaamheden door vorst, zonder loon door te betalen. De uitkeringsinstantie wees de aanvragen af omdat volgens hen de werkloosheid niet uitsluitend door vorst werd veroorzaakt.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk in het voordeel van betrokkenen, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde dat de werkgever op grond van een algemene machtiging werktijdverkorting mocht toepassen zonder ontheffing te vragen, ook voor binnendienstmedewerkers. De CAO voor de betonproductenindustrie bepaalt dat bij onwerkbaar weer geen loon doorbetaald hoeft te worden, zonder onderscheid tussen buiten- of binnendienst.
De Raad legde uit dat artikel 18 WW Pro restrictief moet worden uitgelegd en alleen werknemers die fysiek door vorst worden verhinderd hun werkzaamheden uit te voeren, recht hebben op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Binnendienstmedewerkers die indirect worden getroffen door vorst, bijvoorbeeld door minder werk, vallen hier niet onder. Ook toezeggingen of eerdere uitkeringen aan vergelijkbare werknemers scheppen geen recht op de gevraagde uitkering. Het hoger beroep van de uitkeringsinstantie werd gegrond verklaard en de beroepen van betrokkenen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen van betrokkenen tegen de afwijzing van de WW-uitkering wegens onwerkbaar weer worden ongegrond verklaard.