ECLI:NL:CRVB:2005:AU0934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid arbeidsmarkt
Appellante heeft tot 7 september 1998 een WAO-uitkering ontvangen en is daarna door het UWV in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Vanaf 1 januari 1999 meldde zij zich ziek, waardoor haar recht op WW-uitkering eindigde en zij een Ziektewet-uitkering ontving tot 1 november 1999. Op 3 oktober 2000 verzocht zij om herleving van haar WW-uitkering met ingang van 1 oktober 2000, wat door het UWV is geweigerd omdat de herlevingstermijn van zes maanden was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de adviezen van het UWV had opgevolgd en dat haar tweede zwangerschap en verergerde klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat appellante zich in de relevante periode niet beschikbaar had gesteld voor de arbeidsmarkt, geen sollicitaties had verricht en niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het CWI.
Verder was er geen sprake van concrete toezeggingen door het UWV die appellante gerechtvaardigd vertrouwen konden geven op herleving van de WW-uitkering. De Raad concludeerde dat appellante terecht niet in aanmerking is gebracht voor herleving van haar WW-uitkering en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering om appellante in aanmerking te brengen voor herleving van haar WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.