ECLI:NL:CRVB:2005:AU1003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en verhuizing
Appellante ontving sinds 1991 bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). Na melding van vermeende samenwoning met appellant, voerde de sociale recherche onderzoek uit dat bevestigde dat zij vanaf 1 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante vanaf 1 augustus 1998 was verhuisd naar een adres buiten haar oorspronkelijke woonplaats.
Hierdoor werd de bijstandsuitkering van appellante ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 augustus 1996 tot 28 februari 2001. Appellanten betwistten de samenwoning en verhuizing, maar konden hun stellingen niet aannemelijk maken. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door deze feiten niet te melden.
Ten aanzien van appellant oordeelde de Raad dat terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 1999 tot 30 september 2000 niet mogelijk was omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarden. Daarom werd het besluit tot terugvordering jegens appellant vernietigd en het primaire besluit herroepen.
De Raad veroordeelde de gemeente Rotterdam in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen, het beroep van appellant deels toegewezen.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand jegens appellante bevestigd, terugvordering jegens appellant vernietigd wegens strijd met de wet.