ECLI:NL:CRVB:2005:AU1533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering ABW-uitkering bij gerechtvaardigd vertrouwen op toezeggingen
Het geschil betreft de herziening en terugvordering van een Algemene bijstandswet (Abw) uitkering aan gedaagden, waarbij appellant de uitkering met ingang van 18 april 2001 heeft herzien en met 10% verlaagd. Gedaagden ontvingen ten onrechte te veel uitkering omdat een inwonende zoon 21 jaar werd, wat gevolgen had voor de uitkering.
Gedaagden stelden dat een ambtenaar van de dienst sociale zaken hen had verzekerd dat de uitkering niet zou wijzigen zolang de jongste zoon nog geen 21 was, en dat zij op dit punt gerechtvaardigd vertrouwen mochten stellen. De rechtbank oordeelde dat dit vertrouwen gerechtvaardigd was en dat terugvordering daarom onaanvaardbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat geen sprake is van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen door een bevoegd orgaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die de wettelijke plicht tot terugvordering doen wijken. Daarom wordt het beroep van appellant gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het beroep tegen de terugvordering ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand wordt ongegrond verklaard.