ECLI:NL:CRVB:2005:AU2188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting op WW-uitkering vanwege FPU-uitkering volgens artikel 34 WW
Appellant, voormalig werknemer bij de Koninklijke Marine, ontving vanaf 1 mei 1997 een FPU-uitkering na vervroegd uittreden. Na beëindiging van een latere dienstbetrekking vroeg hij een WW-uitkering aan. Gedaagde bracht de FPU-uitkering in mindering op de toegekende WW-uitkering, wat appellant betwistte en bezwaar tegen maakte.
De rechtbank oordeelde dat de pensioeninkomsten niet onder de uitzondering van artikel 34, zevende lid, van de WW vielen en dat de korting terecht was toegepast. Appellant stelde in hoger beroep dat de FPU-uitkering geen ouderdomspensioen is en dat eerdere inkomsten niet verrekend mogen worden, en dat het verbod van reformatio in peius werd geschonden.
De Raad oordeelde dat de FPU-uitkering kwalificeert als een regeling tot vervroegde uittreding conform de regeling Gelijkstelling en dat de korting op de WW-uitkering terecht is toegepast. Tevens werd geoordeeld dat artikel 34, zevende lid, niet van toepassing is omdat de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos werd niet naast de FPU-dienstbetrekking werd vervuld. Het verbod van reformatio in peius werd niet geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De korting op de WW-uitkering vanwege de FPU-uitkering is terecht toegepast en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.