ECLI:NL:CRVB:2005:AU2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen in Marokko
Appellante ontving bijstand sinds 1984 en werd onderzocht nadat een signaal binnenkwam over haar bezit van onroerend goed in Marokko. Uit onderzoek bleek dat zij geregistreerd stond als eigenaar van een appartement in Kenitra met een waarde die het vrij te laten vermogen overschreed. Gedaagde trok de bijstand over de periode 13 december 2000 tot 22 november 2001 in en vorderde de kosten terug.
Appellante voerde aan dat het appartement eigendom was van haar vader en betwistte de waardebepaling en het schenden van haar inlichtingenplicht. De Raad oordeelde dat het eigendom op haar naam stond en dat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij niet over het appartement kon beschikken. De taxatierapporten van deskundigen bevestigden dat de waarde het vrijgestelde vermogen oversteeg.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van het vermogen, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht. Ook werd een boete opgelegd wegens deze schending, waarbij de Raad de boete verlaagde conform de geldende verordening. De klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd verworpen. De Raad veroordeelde gedaagde in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de boete wordt gehandhaafd met verlaging tot € 300,83.