ECLI:NL:CRVB:2005:AU2696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid weigering WW-uitkering wegens vermeende werkweigering
Gedaagde was werkzaam als agrarisch medewerker en vroeg per 7 februari 2003 een WW-uitkering aan, stellende dat hij sinds 24 januari 2003 geen werk meer had omdat er geen werk was. De werkgever meldde echter dat gedaagde op 21 februari 2003 ontslagen was wegens werkweigering en dat hij tot die datum loon had ontvangen.
Appellant (het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat nader onderzoek naar de loonbetalingen nodig was. In hoger beroep overwoog de Raad dat uit bankafschriften en loonoverzichten bleek dat gedaagde in februari 2003 loon ontving voor de periode na 27 januari 2003. Ook de ontslagbrief bevestigde dat de dienstbetrekking doorliep tot 21 februari 2003.
De Raad concludeerde dat gedaagde op 27 januari 2003 niet werkloos was in de zin van de WW omdat hij zijn arbeidsuren niet had verloren en recht had op doorbetaling van loon. De weigering van de WW-uitkering was daarom terecht en het beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering is terecht omdat gedaagde op 27 januari 2003 niet werkloos was.