ECLI:NL:CRVB:2005:AU2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vroegtijdig ontslag bij verhuizing
Gedaagde, een wijkverpleegkundige, nam haar dienstverband per 1 juni 2002 op wegens verhuizing naar een andere woonplaats vanwege het nieuwe dienstverband van haar echtgenoot. De verhuizing vond uiteindelijk pas op 16 juli 2002 plaats. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) weigerde haar WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij te vroeg ontslag had genomen. De rechtbank oordeelde dat gedaagde niet verweten kon worden dat zij haar dienstverband per 1 juni beëindigde, omdat de latere verhuisdatum niet voorzienbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat het beleid van appellant, waarbij een ontslagdatum niet meer dan één maand voor de verhuisdatum mag liggen, niet onredelijk is. Gedaagde had zich volgens de Raad tijdig moeten informeren over de haalbaarheid van de verhuisdatum en had de belemmeringen, zoals school en verhuisbedrijf, kunnen voorzien. De eerste verklaring van gedaagde aan het uitvoeringsorgaan heeft meer bewijskracht dan latere nuanceringen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Hiermee wordt bevestigd dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden door te vroeg ontslag te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd wegens verwijtbare werkloosheid door te vroeg ontslag.