ECLI:NL:CRVB:2005:AU2960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij beëindiging bijstandsrecht wegens verblijfvergunning
Appellant ontving sinds oktober 2000 een bijstandsuitkering van de gemeente Zoetermeer. De uitkering werd geblokkeerd per 1 augustus 2002 nadat bleek dat appellant niet beschikte over een geldige verblijfvergunning. De gemeente beëindigde het recht op bijstand met terugwerkende kracht per 11 juni 2002 en vorderde gemaakte kosten terug.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, die door de gemeente werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar zag niet dat appellant geen belang meer had bij het beroep omdat het besluit tot beëindiging onherroepelijk was geworden. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant ten tijde van het beroep bij de rechtbank geen belang meer had bij beoordeling van het besluit van 24 december 2002, omdat het besluit tot beëindiging van het recht op bijstand per 11 juni 2002 onherroepelijk is geworden. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.