ECLI:NL:CRVB:2005:AU3900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3126 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ARARArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vaste aanstelling medewerker vergunningen ministerie

Appellante was vanaf 1 juli 2000 met onderbrekingen via een uitzendbureau werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en werd vervolgens tijdelijk aangesteld bij het agentschap LASER. Na twee tijdelijke aanstellingen, waarvan de tweede een andere functie betrof, werd haar dienstverband niet omgezet in een vaste aanstelling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op een vaste aanstelling conform artikel 6 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De Raad oordeelde echter dat niet was voldaan aan de vereiste periode van meer dan 36 maanden tijdelijke aanstellingen en dat de werkzaamheden in de tweede aanstelling niet hetzelfde waren als in de eerste, mede omdat appellante moest worden ingewerkt.

Daarnaast concludeerde de Raad dat appellante zich door haar opstelling onmogelijk had gemaakt bij gedaagde, waardoor de proeftijd niet als geslaagd kon worden beschouwd. De Raad onderschreef daarmee het oordeel van de rechtbank en bevestigde de weigering van de vaste aanstelling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vaste aanstelling bevestigd.

Uitspraak

04/3126 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 april 2004, nr. AWB 03/406, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft verwezen naar in eerste aanleg ingediende stukken en appellante heeft nog nader gereageerd. Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 augustus 2005. Appellante is met kennisgeving niet verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. den Bremer, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
II. MOTIVERING
1.1. Appellante is, na eerst vanaf 1 juli 2000 met enige korte onderbrekingen via een uitzendbureau voor gedaagde te hebben gewerkt, bij besluit van 30 mei 2001 voor de periode van 1 juli 2001 tot 1 januari 2002 in tijdelijke dienst aangesteld bij het agentschap LASER als regelingsdeskundige. Aansluitend is appellante per 1 januari 2002 bij hetzelfde agentschap voor een proeftijd van ten hoogste een jaar aangesteld als medewerker (inter)nationale vergunningen.
1.2. Bij brief van 29 november 2002 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat het dienstverband van rechtswege afloopt op 1 januari 2003. De daarin vervatte weigering appellante in aanmerking te brengen voor een vaste aanstelling is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 maart 2003.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd als volgt.
3.1. Vast staat dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6, zesde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), omdat appellante slechts twee tijdelijke aanstellingen heeft gehad en geen sprake is van een periode van meer dan 36 maanden.
3.2. Evenmin kan appellante een geslaagd beroep doen op het zevende lid van artikel 6 van Pro het ARAR, omdat weliswaar sprake is geweest van werkzaamheden op een andere titel binnen het gezagsbereik van gedaagde, te weten via een uitzendbureau, maar niet kan worden staande gehouden dat het gedurende de hele periode om dezelfde werkzaamheden ging. De tweede tijdelijke aanstelling van appellante zag immers op een andere functie. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de werkzaamheden in deze andere functie dezelfde waren als welke zij voorheen verrichtte, doch zij heeft deze stelling niet onderbouwd of nader toegelicht en het feit dat zij - naar uit de stukken blijkt - voor deze andere functie moest worden ingewerkt wijst ook in een andere richting.
3.3. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellante ten tijde van het bestreden besluit reeds een aanstelling in vaste dienst had. Gedaagde was dus ten tijde van belang bevoegd de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vast dienstverband.
3.4. Voor wat betreft de gebruikmaking van die bevoegdheid onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen welke haar tot dat oordeel hebben geleid. Ook de Raad is op grond van de gedingstukken van opvatting dat appellante zich door haar opstelling onmogelijk heeft gemaakt bij gedaagde, waardoor de proeftijd niet als geslaagd kon worden aangemerkt. Hij volstaat er verder mee naar de overwegingen van de rechtbank te verwijzen.
4. Dit alles betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J.P. Grauss.