ECLI:NL:CRVB:2005:AU4071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting over woonsituatie
Appellant heeft op 2 januari 2003 bijstand aangevraagd volgens de Algemene bijstandswet (Abw). De gemeente stelde een onderzoek in naar zijn woon- en leefomstandigheden en besloot op 21 maart 2003 de aanvraag niet te behandelen wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn woonsituatie. Appellant deed een nieuwe aanvraag op 23 mei 2003, waarop wel bijstand werd toegekend.
De bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 maart 2003 leidde tot een afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarop appellant hoger beroep instelde. Hij voerde aan dat de gemeente niet op een andere grondslag had mogen afwijzen en dat hij wel voldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woonsituatie.
De Raad overweegt dat bezwaar een volledige heroverweging inhoudt en dat het beroep ontvankelijk was. De kernvraag is waar appellant daadwerkelijk woonde. Uit feiten en omstandigheden, zoals het ontkennen van medebewoners terwijl een gezin van vijf personen op het adres stond ingeschreven, het ontvangen van post en bankafschriften op het adres van zijn voormalige partner, en het niet aantreffen bij huisbezoeken, concludeert de Raad dat appellant tekort is geschoten in zijn inlichtingenverplichting. De latere feiten uit de tweede aanvraag mogen niet worden meegewogen bij de heroverweging van de eerste aanvraag.
Daarom is het besluit tot afwijzing van de aanvraag van 2 januari 2003 terecht genomen en wordt het hoger beroep verworpen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid over de woonsituatie.