ECLI:NL:CRVB:2005:AU4228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten als escortdame
Betrokkene ontving vanaf januari 2001 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het College van burgemeester en wethouders van Groningen vermoedde dat zij inkomsten uit escortwerk verzweeg en startte een onderzoek met dossieronderzoek, telefoontaps en getuigenverklaringen.
Op basis van dit onderzoek trok het College in november 2002 het recht op bijstand in vanaf januari 2001 en vorderde de kosten terug. De rechtbank oordeelde in april 2004 dat het recht op bijstand pas vanaf maart 2002 niet vastgesteld kon worden wegens onvoldoende bewijs voor de periode daarvoor.
Zowel het College als betrokkene gingen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College voldoende bewijs had voor het verzwegen escortwerk in oktober 2001 en de periode maart tot en met augustus 2002, waaronder waarnemingen, telefoongesprekken en getuigenverklaringen. Voor de overige perioden ontbrak voldoende feitelijke grondslag.
De Raad bevestigde dat de brief van november 2002 geen besluit met rechtsgevolg was en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Het College mocht het recht op bijstand over de genoemde maanden intrekken en de kosten terugvorderen. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het recht op bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd over oktober 2001 en maart tot en met augustus 2002 wegens verzwegen inkomsten uit escortwerk.