ECLI:NL:CRVB:2005:AU4371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties bevestigd door Centrale Raad van Beroep
In deze zaak betwistte gedaagde de verlaging van zijn WW-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Gedaagde, een maatschappelijk werker, had in de periode van 4 november tot 2 december 2002 vier sollicitaties verricht, maar in één week helemaal niet. De Uwv legde daarom een korting van 20% op de uitkering voor 16 weken op.
De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit omdat zij oordeelde dat de Uwv onvoldoende onderzoek had gedaan naar de beschikbaarheid van passende vacatures in de regio van gedaagde, waardoor de verlaging niet zorgvuldig was voorbereid. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat de Uwv niet gehouden was tot een dergelijk onderzoek en dat er geen aanwijzingen waren dat er geen passend werk beschikbaar was.
De Raad bevestigde dat de sollicitatieplicht inhoudt dat er minimaal één sollicitatie per week moet plaatsvinden en dat het beleid van de Uwv, dat dit als norm hanteert, niet in strijd is met de wet. De Raad oordeelde dat gedaagde niet aan deze verplichting had voldaan en dat de verlaging van de uitkering terecht was opgelegd. Het beroep van gedaagde werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wegens onvoldoende sollicitaties wordt bevestigd.