ECLI:NL:CRVB:2005:AU4712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling einddatum fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 2 januari 1991 in dienst bij zijn werkgever. De arbeidsovereenkomst werd per beschikking van de kantonrechter op 31 januari 2003 ontbonden, waarbij appellant een vergoeding van € 18.000 kreeg toegekend. Gedaagde stelde dat appellant tot 1 april 2003 geen recht had op WW-uitkering vanwege een fictieve opzegtermijn van drie maanden, gebaseerd op artikel 7:672 BW Pro en de toepasselijke CAO.
Appellant betwistte dit en stelde dat de fictieve opzegtermijn met één maand moest worden verkort conform artikel 7:672, vierde lid, BW, ongeacht de CAO-bepalingen. De Raad oordeelde dat de opzegtermijn bij ontbinding door de kantonrechter inderdaad met één maand moet worden verkort volgens artikel 16, derde lid, WW, ook als de CAO afwijkingen bevat. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat gedaagde opnieuw moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De zaak betreft de uitleg van de fictieve opzegtermijn bij WW-uitkeringen na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de fictieve opzegtermijn met één maand moet worden verkort, waardoor appellant eerder recht heeft op WW-uitkering.