ECLI:NL:CRVB:2005:AU4846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant voerde hoger beroep tegen een besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 maart 1995 was vastgesteld op 15-25%. De kern van het geschil betrof de juistheid van de arbeidskundige onderbouwing, met name de verificatie van loongegevens van diverse functies en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de loongegevens van de functies metaalpersbediende en assemblagemedewerker aannemelijk waren gemaakt, maar dat de functie meubelafwerker onvoldoende was onderbouwd. Het UWV had nagelaten een alternatieve functie te duiden, wat tot vernietiging van het besluit leidde. In een nieuw besluit handhaafde het UWV het percentage 15-25%, waarbij een maandloonvergelijking had moeten worden toegepast in plaats van een uurloonvergelijking.
De Raad oordeelde dat de loongegevens van de functies metaalpersbediende en assemblagemedewerker juist waren geverifieerd en verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De functie machinevoerder werd als passend beoordeeld ondanks incidenteel overwerk. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn voor besluitvorming was overschreden, wat aanleiding gaf tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-. Tevens werd het besluit van 26 februari 2004 vernietigd en de WAO-uitkering herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1995.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1995 en appellant ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.