ECLI:NL:CRVB:2005:AU5064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand tijdens vrijheidsontneming wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, een alleenstaande man met een WAO-uitkering, vroeg bijzondere bijstand voor woonlasten aan. Tijdens zijn vrijheidsontneming werd zijn WAO-uitkering beëindigd en werd de aanvraag afgewezen omdat op grond van artikel 9 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) geen recht op bijstand bestaat tijdens vrijheidsontneming.
Appellant voerde aan dat er zeer dringende redenen waren om van deze regel af te wijken, mede gelet op zijn suïcidepoging en de dreiging van verlies van zijn woning. De Raad oordeelde echter dat er geen acute noodsituatie was die ernstige gevolgen voor zijn gezondheid zou veroorzaken bij het niet verlenen van bijstand.
De Raad bevestigde ook de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding van € 80,50 voor de gemaakte kosten bij bezwaarbehandeling. Het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente over de bijzondere bijstand werd afgewezen.
De uitspraak van de rechtbank Groningen werd daarmee bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand tijdens vrijheidsontneming wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.