ECLI:NL:CRVB:2005:AU5276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag militair wegens verregaande nalatigheid en schending integriteit
Appellant, een beroepsmilitair in de rang van majoor, werd ontslagen wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten. Hij had bouwtekeningen vervaardigd en verkocht aan particulieren die vergunningen voor opslag van vuurwerk wilden aanvragen, terwijl hij als adviseur van vergunningverlenende instanties diende op te treden.
Na een onderzoek van de Koninklijke Marechaussee en een strafrechtelijk onderzoek bleek dat appellant niet alleen bouwtekeningen had verkocht, maar ook geschenken had aangenomen en provisie had ontvangen, wat leidde tot ernstige twijfels over zijn integriteit. Ondanks dat de officier van justitie afzag van strafrechtelijke vervolging, werd het ontslagbesluit gehandhaafd.
De Raad oordeelde dat het handelen van appellant laakbaar was en dat het vertrouwen in hem ernstig was geschaad. De Raad verwierp de bezwaren van appellant tegen het ontslag, waaronder het beroep op het evenredigheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, en bevestigde het besluit tot ontslag.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens verregaande nalatigheid en schending van integriteit wordt bevestigd.