ECLI:NL:CRVB:2005:AU5635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens ontbreken gezamenlijke huishouding vóór huwelijk
Appellant vroeg herziening van zijn AOW-pensioen op grond van een vermeende gezamenlijke huishouding met zijn partner vóór hun huwelijk. De Sociale verzekeringsbank had het pensioen herzien naar de gehuwdennorm vanaf de huwelijksdatum, omdat zij geen gezamenlijke huishouding vóór die datum kon vaststellen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het criterium van gezamenlijke huishouding niet alleen het samenwonen betreft, maar ook wederzijdse verzorging, waaronder financiële verstrengeling. Uit de feiten bleek dat appellant en zijn partner weliswaar samenwoonden, maar geen significante financiële of andere zorg voor elkaar droegen vóór het huwelijk.
Appellants stellingen en bewijs, waaronder testament en huishoudadministratie, overtuigden de Raad niet van het bestaan van een gezamenlijke huishouding vóór het huwelijk. De Raad oordeelde dat de herziening van het pensioen per huwelijksdatum terecht was en wees het hoger beroep af.
De uitspraak bevestigt het belang van het criterium van wederzijdse zorg bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding in het kader van AOW-pensioenrechten.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen per 1 mei 2002 naar de gehuwdennorm wordt bevestigd omdat geen gezamenlijke huishouding vóór het huwelijk bestond.