ECLI:NL:CRVB:2005:AU5921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering na ontslag in proeftijd bij tijdelijk dienstverband
Appellante was bijna dertig jaar in dienst bij een werkgever en nam ontslag per 1 januari 2003. Vervolgens trad zij per 2 januari 2003 in dienst bij een andere werkgever voor een tijdelijk dienstverband van een jaar. Zij werd op 24 januari 2003 tijdens de proeftijd rechtsgeldig ontslagen. Appellante vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag bij de voorlaatste werkgever meegewogen kon worden bij de beoordeling van het recht op WW-uitkering, omdat er nog geen zelfstandig recht uit de laatste dienstbetrekking was opgebouwd. De rechtbank vond dat er geen aannemelijke bezwaren waren die voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs onmogelijk maakten, ook niet vanwege het feit dat appellante als enige vrouw werkte bij de werkgever. De geringe loonsverhoging woog niet op tegen het grote werkloosheidsrisico.
Appellante stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan de orde, maar de Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er waren geen gronden om het UWV te veroordelen in proceskosten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering aan appellante.