Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5921

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3477 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WW-uitkering na ontslag in proeftijd bij tijdelijk dienstverband

Appellante was bijna dertig jaar in dienst bij een werkgever en nam ontslag per 1 januari 2003. Vervolgens trad zij per 2 januari 2003 in dienst bij een andere werkgever voor een tijdelijk dienstverband van een jaar. Zij werd op 24 januari 2003 tijdens de proeftijd rechtsgeldig ontslagen. Appellante vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag bij de voorlaatste werkgever meegewogen kon worden bij de beoordeling van het recht op WW-uitkering, omdat er nog geen zelfstandig recht uit de laatste dienstbetrekking was opgebouwd. De rechtbank vond dat er geen aannemelijke bezwaren waren die voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs onmogelijk maakten, ook niet vanwege het feit dat appellante als enige vrouw werkte bij de werkgever. De geringe loonsverhoging woog niet op tegen het grote werkloosheidsrisico.

Appellante stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan de orde, maar de Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er waren geen gronden om het UWV te veroordelen in proceskosten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering aan appellante.

Uitspraak

04/3477 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder nummer 03/2993-FRC op 14 mei 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde is verschenen bij mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante, geboren in 1973, is op 1 februari 2002 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van loonbedrijf [werkgeefster] te Almere (hierna: [werkgeefster]). Appellante heeft per 1 januari 2003 ontslag genomen uit die dienstbetrekking en is per 2 januari 2003 voor de duur van een jaar in dienst getreden van loonbedrijf [werkgeefster 2] te Rotterdam. Aldaar is zij op 24 januari 2003, in haar proeftijd, rechtsgeldig ontslagen.
Op 17 februari 2003 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd.
Bij besluit van 30 mei 2003 heeft gedaagde de uitkering blijvend geheel geweigerd. De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 17 juli 2003 ongegrond verklaard.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in een situatie als de onderhavige waarin nog geen zelfstandig recht op uitkering uit hoofde van het verrichten van arbeid in de laatste dienstbetrekking is opgebouwd en waarbij het recht op uitkering derhalve mede is ontstaan uit het verrichten van arbeid in de voorlaatste dienstbetrekking, het ontslag uit de voorlaatste betrekking mede in aanmerking kan worden genomen. De rechtbank heeft ten aanzien van het ontslag bij [werkgeefster] overwogen dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat er aan de voortzetting van de dienstbetrekking bij [werkgeefster] zodanige bezwaren waren verbonden dat een voortzetting redelijkerwijs niet meer van haar kon worden gevergd. Daarbij heeft de rechtbank met name overwogen dat de omstandigheid dat appellante als enige vrouw werkzaam was bij [werkgeefster] van onvoldoende gewicht is om aan te nemen dat de voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van haar had kunnen worden gevergd. Ter zitting van de rechtbank was bovendien gebleken dat appellante niet als enige vrouw werkzaam was bij [werkgeefster]. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante gestelde loonsverhoging, zo daar al sprake van was, vrij marginaal was in relatie tot het grote werkloosheidsrisico.
De Raad kan zich met dit oordeel van de rechtbank verenigen. Nu de stellingen van appellante in hoger beroep een herhaling vormen van hetgeen reeds in beroep was aangevoerd en de rechtbank die stellingen op goede gronden heeft verworpen, volstaat de Raad met te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.