ECLI:NL:CRVB:2005:AU5928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding provisie en proceskosten bij overname loonverplichtingen WW
Appellant was werkzaam als handelsvertegenwoordiger en vorderde achterstallige provisie en proceskostenvergoeding van zijn werkgever, die in surseance van betaling en failliet was gegaan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) nam loonverplichtingen over en betaalde een bedrag aan appellant, maar herzag later de vergoeding van proceskosten.
Appellant stelde dat zijn provisierechten over het laatste kwartaal van 2001 volledig vaststonden en dat de proceskosten volledig vergoed moesten worden, mede op grond van een folder van het UWV en gewekte verwachtingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, onder meer omdat onvoldoende duidelijkheid bestond over de provisieopbouw en het vertrouwen op volledige proceskostenvergoeding ontbrak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de UWV terecht de provisie heeft berekend op basis van het gemiddelde inkomen over 2001 en de proceskosten naar rato heeft vergoed. De cessie van vorderingen tussen B.V.'s leidt niet tot een hoger recht op provisie voor appellant. Het beroep wordt deels gegrond verklaard voor het proceskostenbedrag, dat wordt verhoogd, maar verder afgewezen. Het besluit van 27 januari 2003 wordt vernietigd voor zover het proceskosten betreft, en het besluit van 19 juli 2005 wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen behalve voor de proceskostenvergoeding die wordt verhoogd; het besluit wordt deels vernietigd.