ECLI:NL:CRVB:2005:AU6146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melden inkomsten uit softdrugs en werkzaamheden
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek en een melding van het UWV-GAK heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de uitkering. Uit dit onderzoek bleek dat appellant inkomsten had uit de handel in softdrugs en werkzaamheden verrichtte voor een derde, zonder dit te melden aan de uitkeringsinstantie.
Op basis van deze bevindingen heeft het college van burgemeester en wethouders het recht op bijstand over twee perioden ingetrokken en de kosten van bijstand teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn inkomsten en werkzaamheden. De werkzaamheden worden gezien als op geld waardeerbare arbeid. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand, wat rechtvaardigt dat het recht op bijstand werd ingetrokken en de kosten werden teruggevorderd.
De Raad ziet geen dringende redenen om hiervan af te wijken en wijst het hoger beroep af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering worden bevestigd wegens het niet melden van inkomsten uit handel in softdrugs en werkzaamheden.