ECLI:NL:CRVB:2005:AU6759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- C. van Viegen
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens overschrijding vermogen
Appellante diende op 25 maart 2002 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op het aanvraagformulier gaf zij aan over een Postbankrekening met een saldo van €11.147,40 te beschikken. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag op 17 juni 2002 af vanwege het bezit van vermogen boven de vrijstellingsgrens.
Appellante stelde dat zij het bedrag had aangewend voor een medische ingreep van haar moeder in het buitenland en dat zij op grond van artikel 1:392 BW Pro verplicht was haar vermogen aan het levensonderhoud van haar moeder te besteden. Deze stellingen kon zij echter niet met bewijsstukken onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond, hetgeen appellante in hoger beroep aanvocht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante ten tijde van de aanvraag feitelijk over het vermogen beschikte en dat onvoldoende is gebleken dat zij dit bedrag niet kon aanwenden. De morele verplichting tot bijdrage aan het levensonderhoud van haar moeder en de onderhoudsplicht ex artikel 1:392 BW Pro leiden niet tot een vrijstelling van het vermogen bij de beoordeling van de bijstandsaanvraag. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien om appellante in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De aanvraag van appellante om bijstand is terecht afgewezen vanwege het bezit van vermogen boven de vrijstellingsgrens.