ECLI:NL:CRVB:2005:AU6803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na nevenwerkzaamheden
Gedaagde was sinds 1986 in dienst bij appellant 3 en verrichtte vanaf 1999 nevenwerkzaamheden bij een andere werkgever. Na ziekte en ouderschapsverlof werd zijn dienstverband met appellant 3 ontbonden. Gedaagde vroeg WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat hij nevenwerkzaamheden bleef verrichten ondanks waarschuwingen en zonder toestemming.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde mocht aannemen dat zijn nevenwerkzaamheden werden gedoogd en vernietigde de weigering van de uitkering. Appellanten stelden dat de rechtbank feiten onjuist had beoordeeld en dat gedaagde verwijtbaar werkloos was geworden.
De Raad overwoog dat appellant 3 aanvankelijk de nevenwerkzaamheden tolereerde, maar later duidelijk maakte dat deze niet mochten worden voortgezet. Gedaagde zette de werkzaamheden voort en weigerde gevraagde informatie te verstrekken. De bedrijfsarts adviseerde stopzetting vanwege reïntegratie.
De Raad concludeerde dat gedaagde zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden en dat hem dit in overwegende mate kan worden verweten. Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Ook de weigering van de bovenwettelijke uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de WW- en bovenwettelijke uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.