ECLI:NL:CRVB:2005:AU6867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering kosten
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 29 juli 1999. Naar aanleiding van een melding dat zij van oktober 1999 tot februari 2002 met [J.] samenwoonde en werkzaamheden als huishoudelijke hulp verrichtte, startte de Sociale Recherche een onderzoek. Dit onderzoek, inclusief verhoren en getuigenverklaringen, leidde tot het besluit de bijstand over de periode 1 oktober 1999 tot 5 februari 2002 in te trekken wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor delen van de terugvordering en vernietigde het besluit deels. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat het terugvorderingsbesluit geheel vernietigd moest worden. De Raad volgt echter de vaste rechtspraak dat verklaringen tegenover opsporingsambtenaren betrouwbaar zijn, tenzij sprake is van druk, wat hier niet is gebleken.
De Raad concludeert dat appellante en [J.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen, wat voldoet aan de voorwaarden van artikel 81 Abw Pro. De intrekking van de bijstand en de terugvordering zijn daarom terecht. Het beroep tegen de intrekking en het nieuwe terugvorderingsbesluit van 16 april 2004 wordt ongegrond verklaard. De gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van kosten worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.