ECLI:NL:CRVB:2005:AU7241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6679 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij verzoek vergoeding proceskosten

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem inzake een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Arnhem om een bijstandsuitkering te verlagen. Appellant had namens betrokkene bezwaar gemaakt en tevens verzocht om vergoeding van proceskosten op eigen naam.

De gemeente had het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, maar het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat appellant niet beroepsmatig als rechtsbijstandverlener werkzaam is. Appellant maakte hiertegen bezwaar, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat appellant niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat hij het verzoek om kostenvergoeding op eigen titel heeft gedaan. Hierdoor ontbreekt het procesbelang voor het hoger beroep. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

04/6679 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2004, reg.nr. AWB 04/804.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, waar appellant is verschenen en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 juni 2003 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van [betrokkene] op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene bijstandswet bij wijze van maatregel verlaagd met 75% gedurende twee maanden. Appellant heeft namens [betrokkene] bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het door appellant ondertekende bezwaarschrift is de volgende passage opgenomen: “Tot slot verzoekt ondergetekende om toekenning van proceskosten ad. € 644 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en verzoek ik u deze over te maken op mijn postbank-girorekening, nr. (…)”.
Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel gewijzigd in verlaging van de uitkering met 100% gedurende één maand. In dit besluit is geen beslissing opgenomen over het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
Appellant heeft gedaagde bij brief van 17 oktober 2003 “nogmaals” verzocht de kosten aan hem te vergoeden en het bedrag over te maken op zijn girorekening.
Gedaagde heeft dit verzoek bij brief van 21 januari 2004 afgewezen op de grond dat appellant niet beroepsmatig werkzaam is als rechtsbijstandverlener.
Appellant heeft daartegen bij brief van 28 januari 2004 bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar het procesbelang van appellant bij het onderhavige hoger beroep.
Voor de Raad staat vast dat appellant niet namens [betrokkene] maar op eigen titel om vergoeding van de kosten heeft verzocht. De Raad leidt dit af uit het gebruik van het woord “ik” in het bezwaarschrift en de vermelding van de eigen girorekening van appel-lant. De brief van appellant van 17 oktober 2003 bevestigt deze vaststelling.
Met het hoger beroep beoogt appellant te bereiken dat het bedrag van de kosten alsnog aan hem wordt betaald.
In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is - voor zover hier van belang - bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende. Appellant, die [betrokkene] als rechtsbijstandverlener heeft vertegenwoordigd en bijgestaan, is geen belanghebbende bij het in bezwaar bestreden besluit van 27 juni 2003. Daaruit volgt dat de wet geen ruimte biedt voor inwilliging van het door appellant op eigen titel gedane verzoek.
Hieruit volgt dat appellant met het hoger beroep het door hem beoogde hoe dan ook niet kan bereiken. Nu voorts niet is gebleken van enig ander belang bij beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak, dient het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.