ECLI:NL:CRVB:2005:AU7311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens vermogen in onroerend goed
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant eigenaar was van een pand bestaande uit drie woningen en een winkel, dat niet door hem werd bewoond. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam beëindigde daarom de bijstandsuitkering per 1 maart 2002 wegens het bezit van vermogen dat verdere bijstandsverlening in de weg stond.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de terugvordering van bijstand over eerdere perioden vanwege het niet melden van vermogen. De rechtbank verklaarde deze beroepen ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het vermogen van appellant het vrij te laten bedrag volgens artikel 54 Abw Pro overstijgt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het vermogen in het pand buiten beschouwing moest blijven, verwijzend naar een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand, en dat beslag op het pand betekende dat het vermogen niet beschikbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand geen betekenis heeft in deze procedure en dat het College een eigen verantwoordelijkheid heeft om het vermogen te onderzoeken. De enkele omstandigheid van beslaglegging is onvoldoende om te concluderen dat het vermogen niet beschikbaar is. Gezien de executiewaarde van het pand en de schulden is het redelijkerwijs mogelijk het vermogen te gelde te maken. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering vanwege het vermogen van appellant in het pand.