ECLI:NL:CRVB:2005:AU7424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid
Appellant en zijn ex-echtgenote ontvingen bijstand van augustus 1999 tot juni 2001. Uit onderzoek bleek dat appellant in deze periode werkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving die niet aan het College van burgemeester en wethouders van Tilburg zijn gemeld. Hierdoor werd het recht op bijstand herzien en werd een bedrag van €6.149,65 teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit werd door het College ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. In hoger beroep betwist appellant niet langer de herziening en de hoogte van de terugvordering, maar stelt dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelt dat dringende redenen alleen kunnen worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van terugvordering, wat incidenteel en uitzonderlijk moet zijn. De omstandigheid dat appellant niet wist dat hem gezinsbijstand werd verleend, is geen dringende reden. Ook verder zijn er geen omstandigheden die terugvordering rechtvaardigen. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €6.149,65 wegens het niet melden van inkomsten uit arbeid en wijst het hoger beroep af.