Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7424

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3594 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 3 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid

Appellant en zijn ex-echtgenote ontvingen bijstand van augustus 1999 tot juni 2001. Uit onderzoek bleek dat appellant in deze periode werkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving die niet aan het College van burgemeester en wethouders van Tilburg zijn gemeld. Hierdoor werd het recht op bijstand herzien en werd een bedrag van €6.149,65 teruggevorderd.

Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit werd door het College ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. In hoger beroep betwist appellant niet langer de herziening en de hoogte van de terugvordering, maar stelt dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

De Raad oordeelt dat dringende redenen alleen kunnen worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van terugvordering, wat incidenteel en uitzonderlijk moet zijn. De omstandigheid dat appellant niet wist dat hem gezinsbijstand werd verleend, is geen dringende reden. Ook verder zijn er geen omstandigheden die terugvordering rechtvaardigen. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €6.149,65 wegens het niet melden van inkomsten uit arbeid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/3594 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 juni 2004, reg.nr. 03/1303 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Strijbosch heeft een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.
II. MOTIVERING
Appellant en zijn ex-echtgenote [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote]) hebben in de periode van 26 augustus 1999 tot en met 26 juni 2001 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Uit een onderzoek is gebleken dat appellant in week 39 van 1999 en in de periode van 1 februari 2001 tot en met 26 juni 2001 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen.
Appellant noch [ex-echtgenote] heeft destijds van die werkzaamheden en inkomsten mededeling gedaan aan gedaagde.
Bij besluit van 2 januari 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand over de maanden september 1999 en oktober 1999 en over de periode van 1 februari 2001 tot en met 26 juni 2001 herzien en de teveel gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 6.149,65 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 1 mei 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 mei 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt op grond van de gedingstukken en het vehandelde ter zitting vast dat de herziening van het recht op bijstand en ook de juistheid van (de hoogte van) de terugvordering niet (meer) door appellant worden betwist. Het geschil heeft uitsluitend nog betrekking op de vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Naar vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij van de verrichte werkzaamheden en de daarmee verdiende inkomsten geen mededeling heeft gedaan omdat hem niet bekend was dat (mede aan) hem gezinsbijstand werd verleend. Wat daarvan ook zij, naar het oordeel van de Raad is dit een omstandigheid die geen betrekking heeft op de gevolgen van de onderhavige terugvordering voor appellant. Die omstandigheid kan dan ook niet worden aangemerkt als een dringende reden in vorenbedoelde zin.
Ook overigens ziet de Raad in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen in de zin van artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellant af te zien.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
TG17112005