ECLI:NL:CRVB:2005:AU7650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens vermindering medische beperkingen, niet opleiding
Appellante, voormalig schoonmaakster, ontving sinds 1989 een WAO-uitkering wegens rugklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een onderzoek in augustus 2001 door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat haar medische beperkingen waren verminderd, waardoor zij functies kon vervullen zonder verlies aan verdiencapaciteit. Gedaagde trok daarop haar uitkering per 21 januari 2002 in.
Appellante voerde aan dat zij tijdens het volgen van een administratieve opleiding recht zou houden op haar uitkering op grond van artikel 43, vierde lid, van de WAO. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de afname van arbeidsongeschiktheid niet het gevolg was van de opleiding, maar van een vermindering van medische beperkingen. De opleiding was niet vereist voor de functies die appellante kon vervullen.
Verder werd het beroep op toezeggingen van medewerkers van het reïntegratiebureau Argonaut en de arbeidsdeskundige Franzen verworpen, omdat deze niet door bewijs werden ondersteund en Argonaut een privaatrechtelijke partij is. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de afname van arbeidsongeschiktheid niet door de opleiding, maar door medische verbetering komt.