ECLI:NL:CRVB:2005:AU7669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door berusten in onrechtmatig ontslag
Gedaagde werkte jarenlang in een bakkerij en werd in januari 2001 door haar werkgever medegedeeld dat haar diensten niet langer gewenst waren. Hoewel het ontslag onrechtmatig was en niet schriftelijk was vastgelegd, berustte gedaagde in het ontslag zonder dit aan te vechten. Hierdoor werd zij volgens de Raad verwijtbaar werkloos.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering met ingang van 2 april 2001 blijvend geheel op grond van artikel 24 van Pro de WW. De rechtbank had deze maatregel gematigd en gebaseerd op een andere bepaling van de WW, maar de Raad oordeelt dat dit onjuist was.
De Raad benadrukt dat de maatregel verbonden aan overtreding van de specifieke verplichtingen in artikel 24 WW Pro voorrang heeft, tenzij uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn. Die omstandigheden zijn hier niet aan de orde, omdat gedaagde een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, was ontslagen en het intreden van werkloosheid niet kon worden afgewend.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering blijft van kracht. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.