ECLI:NL:CRVB:2005:AU8494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Geen onderscheid in deeltijdfactor tussen reguliere en leeftijdsgebonden vakantiedagen bij terugvordering WW
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van vakantiedagen en ADV-dagen van een werknemer die van januari 2001 tot mei 2002 bij een werkgever in dienst was, welke failliet werd verklaard. De werknemer had in 2002 een deel van het jaar gewerkt en was daarna bij een andere werkgever gaan werken. De terugvordering betrof een negatief saldo van vakantiedagen na verrekening van opgenomen dagen.
De rechtbank had geoordeeld dat de deeltijdfactor van 95% ook toegepast mocht worden op de leeftijdsgebonden vakantiedagen, wat leidde tot een lagere opbouw van vakantiedagen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat hiervoor geen toereikende grondslag bestaat, omdat de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid maken tussen reguliere en leeftijdsgebonden dagen en de wettelijke bepalingen dit ook niet ondersteunen.
De Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart de beroepen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ongegrond. Dit betekent dat de terugvordering opnieuw moet worden berekend zonder de deeltijdfactor op de leeftijdsgebonden dagen toe te passen. De Raad wijst tevens de vergoeding van proceskosten af.
De procedure kende meerdere besluiten en beroepen, waarbij het hoger beroep zich beperkte tot de vraag over de toepassing van de deeltijdfactor op de leeftijdsgebonden dagen. De Raad heeft het beroepschrift van de werknemer niet betrokken vanwege termijnoverschrijding. De uitspraak is gedaan door een kamer van drie raadsheren en griffier.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart de beroepen van appellant ongegrond omdat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen reguliere en leeftijdsgebonden vakantiedagen bij toepassing van de deeltijdfactor.