ECLI:NL:CRVB:2005:AU8995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- R.M. van Male
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens woonplaatsgeschil
Appellante ontving sinds 1989 bijstand en stond ingeschreven op een adres in ’s-Gravenhage. De gemeente stelde een onderzoek in naar haar woonplaats vanwege vermoedens dat zij niet daadwerkelijk op dat adres woonde. Op grond van dit onderzoek trok de gemeente het recht op bijstand in voor de periode 1 juni 2001 tot 31 mei 2002 en vorderde de gemaakte kosten terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Raad toetste de feiten zelfstandig. De Raad oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat appellante niet woonde op het opgegeven adres tot 2 april 2002, zodat intrekking en terugvordering voor die periode onterecht waren. Voor de periode van 2 april tot 31 mei 2002 was er wel voldoende grond voor intrekking en boete.
De Raad vernietigde de besluiten over de eerste periode en bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering en boete, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand over een deel van de periode worden vernietigd en de gemeente moet nieuwe besluiten nemen.