ECLI:NL:CRVB:2005:AU9013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belang bij bijstandsaanvraag
Appellant heeft op 11 september 2002 een aanvraag ingediend voor algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Deze aanvraag werd op 18 oktober 2002 afgewezen vanwege een vermogen dat hoger was dan het vrij te laten bedrag. Na bezwaar werd het vermogen nader vastgesteld op € 57.684,23. Appellant stelde zich in hoger beroep tegen deze beslissing.
Tijdens de zitting op 15 november 2005 stelde appellant dat hem over de periode van 11 september 2002 tot en met 18 oktober 2002 een WAO-uitkering was toegekend die de bijstandsnorm ruimschoots overtrof. Hierdoor had appellant achteraf geen recht op bijstand op grond van de Abw. Dit leidde tot het oordeel dat het belang van appellant bij het hoger beroep was komen te vervallen.
De Raad concludeerde dat appellant geen procesbelang meer had bij de beoordeling van het besluit van 29 april 2003. Ook een toekomstig beroep op bijstand op grond van de Wet werk en bijstand werd niet als voldoende belang gezien. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.