ECLI:NL:CRVB:2005:AU9682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering in maandelijkse termijnen
Appellant is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch inzake de terugvordering van een ten onrechte ontvangen WW-uitkering over de periode van 5 december 1994 tot en met 14 mei 1995.
De Raad toetst of het besluit van 4 februari 2003, waarin het bezwaar van appellant tegen de terugvordering werd afgewezen, terecht is genomen. De rechtbank had geoordeeld dat de terugvordering in maandelijkse termijnen van €223,36 passend was gezien de financiële situatie van appellant en dat de berekening van de aflossingscapaciteit correct was.
Appellant stelde dat de terugvordering onredelijk was en dat het bedrag en de termijnbedragen te hoog waren. Ook voerde hij aan dat de vordering verjaard zou zijn op grond van artikel 13 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering en dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheid en artikel 6 EVRM Pro.
De Raad verwierp deze bezwaren. Artikel 13 Co Proördinatiewet is niet van toepassing op deze terugvordering, die geen premie betreft. De Raad bevestigt dat de vordering niet is verjaard en dat de bestuursrechterlijke en civielrechtelijke bepalingen correct zijn toegepast. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant het bedrag van €4.047,78 moet terugbetalen in maandelijkse termijnen van €223,36.