ECLI:NL:CRVB:2006:AU9077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijzondere bijstand voor curatorkosten onder curatele gestelde
Appellante, onder curatele gesteld en vertegenwoordigd door haar broer als curator, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten die de curator bij haar in rekening bracht. De gemeente kende bijzondere bijstand toe met ingang van 31 oktober 2001, maar weigerde deze met terugwerkende kracht toe te kennen voor kosten die eerder waren gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bepalend is wanneer de kosten zijn opgekomen en niet het moment van de rekening. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht vóór 31 oktober 2001 wordt toegekend.
De Raad benadrukte dat van de curator redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij tijdig een aanvraag indient zodra kosten ontstaan, en dat het nalaten hiervan aan appellante moet worden toegerekend. Het beroep op het beleid omtrent kruimelvoorzieningen faalde omdat de kosten niet gering waren.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Een veroordeling in proceskosten werd niet opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijzondere bijstand voor curatorkosten wordt bevestigd op 31 oktober 2001, zonder terugwerkende kracht.