ECLI:NL:CRVB:2006:AU9488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding grootmoeder en volwassen kleinzoon voor AOW-uitkering
De zaak betreft een geschil over de herziening van het ouderdomspensioen van betrokkene, een alleenstaande grootmoeder die samenwoonde met haar volwassen kleinzoon, die zij sinds diens kleutertijd als eigen kind had opgevoed. Na het overlijden van haar echtgenoot werd haar AOW-pensioen aangepast naar de alleenstaande norm. De Sociale verzekeringsbank herzag dit pensioen later naar de norm voor personen die een gezamenlijke huishouding voeren met een andere meerderjarige.
Appellanten voerden aan dat de relatie tussen grootmoeder en kleinzoon gelijkgesteld moest worden aan die tussen ouder en kind, omdat de wet een uitzondering maakt voor bloedverwanten in de eerste graad die een gezamenlijke huishouding voeren. De Raad oordeelde echter dat de uitzondering niet van toepassing is op de relatie tussen grootmoeder en kleinzoon, aangezien de wettelijke onderhoudsplicht en het ouderlijk gezag bij de vader blijven, en er geen wederzijdse afhankelijkheid bestaat zoals bedoeld in de wet.
De Raad benadrukte dat de doelstellingen van de Algemene Ouderdomswet verschillen van die van de Algemene nabestaandenwet, waar wel een bredere gelijkstelling geldt. De gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en haar kleinzoon leidt daarom tot een lagere AOW-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen naar de gezamenlijke huishouding norm bevestigd.