ECLI:NL:CRVB:2006:AU9658

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4122 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens ongeschiktheid van hoofdagent met nevenwerkzaamheden als assurantie-tussenpersoon

Appellant was hoofdagent in deeltijd bij de politieregio Kennemerland en verrichtte daarnaast met toestemming nevenwerkzaamheden als assurantie-tussenpersoon. Naar aanleiding van onderzoeken naar zijn mogelijke betrokkenheid bij het verzilveren en verhandelen van valse bankgaranties legde de werkgever hem op 21 maart 2003 primair een disciplinaire straf van ontslag op en subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij beslissing op bezwaar van 29 september 2003 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, maar oordeelde dat het disciplinaire ontslag onevenredig was. In hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep het primaire ontslagbesluit en bevestigt het subsidiaire ontslag wegens ongeschiktheid.

De Raad overweegt dat appellant onvoldoende afstand heeft genomen van de risicovolle en onrechtmatige omstandigheden rondom de valse bankgaranties en zich ten onrechte als politiefunctionaris heeft gepresenteerd. Dit gedrag maakt hem ongeschikt voor de functie van hoofdagent. De Raad acht het ontslag wegens ongeschiktheid gerechtvaardigd en redelijk.

Verder veroordeelt de Raad de werkgever tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het primaire disciplinaire ontslag wordt vernietigd, zodat appellant niet opnieuw een disciplinaire straf wordt opgelegd.

Uitkomst: Het subsidiaire ontslag wegens ongeschiktheid wordt bevestigd, het primaire disciplinaire ontslag vernietigd en de werkgever veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

04/4122 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2004, nr. Awb 03 - 1800 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend, waarna partijen desgevraagd over en weer schriftelijk hebben gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Floor, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen mr. C.M. Karelse, werkzaam bij de politieregio Kennemerland.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was al jaren werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) de politieregio Kennemerland, laatstelijk in de functie van hoofdagent, halftime. Daarnaast verrichtte appellant, met toestemming van gedaagde, werkzaamheden als assurantie-tussenpersoon.
1.2. Op basis van de resultaten van onderzoeken die waren ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van appellant bij het verzilveren en verhandelen van valse bankgaranties, heeft gedaagde bij besluit van 21 maart 2003 met ingang van 1 mei 2003 primair appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en subsidiair hem ontslagen wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
1.3. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 29 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Appellant heeft terecht betoogd dat het dictum van de aangevallen uitspraak niet overeenstemt met de overwegingen die de rechtbank heeft gewijd aan de disciplinaire straf van ontslag. Nu de rechtbank de straf van ontslag onevenredig had geoordeeld, had de rechtbank, naar het oordeel van de Raad, in aanmerking genomen dat die straf andere rechtsgevolgen teweegbrengt dan een zogeheten ongeschiktheidsontslag, het beroep van appellant, voorzover gericht tegen de handhaving van de straf van ontslag, gegrond dienen te verklaren en dat gedeelte van het bestreden besluit dienen te vernietigen.
Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad dit alsnog uitspreken. Aangezien het aan appellant subsidiair wegens diens ongeschiktheid verleende ontslag, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, in stand blijft, ziet de Raad voor gedaagde geen aanleiding meer appellant alsnog een disciplinaire straf op te leggen. In verband hiermee zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens het primaire gedeelte van het besluit van 21 maart 2003 te vernietigen.
3.2. De stelling van gedaagde dat door de Raad niet alsnog tot vernietiging van de handhaving van de disciplinaire straf van ontslag mag worden overgegaan, omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat die straf onevenredig is te achten, treft geen doel. Nu gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de overwegingen die de rechtbank aan de zwaarte van de disciplinaire straf heeft gewijd, kunnen die over-wegingen in hoger beroep door gedaagde niet bij wege van verweer inhoudelijk aan de orde worden gesteld. Het beroep dat gedaagde in dit kader heeft gedaan op jurisprudentie van deze Raad (CRvB 16 december 1999, TAR 2000, 29) gaat niet op, omdat van een verwevenheid als in die jurisprudentie bedoeld hier geen sprake is. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat van gedaagde, indien hij zich niet kon verenigen met de uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud gegeven overwegingen omtrent de onhoudbaarheid van het strafontslag, redelijkerwijs gevergd kon worden daartegen hoger beroep in te stellen.
3.3. De Raad onderschrijft voorts in grote lijnen de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat appellant de voor het vervullen van de functie van hoofdagent vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling mist. Het standpunt van appellant dat slechts sprake was van een eenmalige inschattingsfout vindt geen steun in de gedingstukken. Hoewel appellant ervan moest uitgaan dat de bankgaranties, waarmee hij in het kader van zijn nevenwerkzaamheden te maken had gekregen, vals waren - zowel de broer van appellant, bij wie hij te rade ging, als een bankfunctionaris hadden hem dat gemotiveerd uiteengezet - , heeft appellant een en ander niet direct bij zijn leidinggevende gemeld. Verder heeft hij zich niet direct volledig gedistantieerd van de personen die hem hierbij inschakelden, maar daarentegen zijn bemiddelende rol bij een mogelijke transactie met deze bankgaranties voortgezet en zich in dat kader, door het overhandigen van zijn visitekaartje van de politieregio Kennemerland, ten onrechte gepresenteerd als politiefunctionaris. De Raad acht hetgeen appellant ter verduidelijking van zijn gedrag heeft aangevoerd in geen enkel opzicht een aanvaardbare verklaring voor iemand die de functie van hoofdagent vervult. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellant toentertijd, maar ook nadien bij het onderzoek, niet heeft laten blijken dat hij zich ervan bewust was dat hij, nu hij daarmee beroepshalve niets van doen had, zich verre diende te houden van dergelijke risicovolle omstandigheden.
3.4. Gezien het vorenoverwogene heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant ongeschikt is te achten voor de functie van hoofdagent. In aanmer-king genomen het grote belang dat gedaagde mag hechten aan de integriteit, de betrouwbaarheid en het verantwoordelijkheidsbesef van een politiefunctionaris, is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van de hem gegeven ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de handhaving van het subsidiair wegens ongeschiktheid verleende ontslag terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- wegens rechtsbijstand en € 2,56 aan reiskosten, en in hoger beroep tot een bedrag van € 805,- wegens rechtsbijstand en € 18,66 aan reiskosten, derhalve in totaal € 1.470,22.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover het beroep tegen de handhaving van het strafontslag ongegrond is verklaard en geen proceskosten en griffierecht zijn toegewezen;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 29 september 2003, voorzover daarbij het bezwaar tegen het primaire gedeelte van het besluit van 21 maart 2003 ongegrond is verklaard;
Vernietigt het primaire gedeelte van het besluit van 21 maart 2003;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover het beroep tegen de handhaving van het wegens ongeschiktheid verleende ontslag ongegrond is verklaard;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,22, te betalen door de politieregio Kennemerland;
Bepaalt dat de politieregio Kennemerland aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.