ECLI:NL:CRVB:2006:AV0132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1989 een bijstandsuitkering en werd onderzocht nadat bekend werd dat zij mogelijk werkzaam was in een bloemenwinkel. De gemeente ’s-Gravenhage beëindigde haar bijstand per 1 april 2003 vanwege het niet melden van deze werkzaamheden en een vermeende gezamenlijke huishouding met haar partner. Tevens werd een boete opgelegd.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante vanaf 26 december 2002 werkzaamheden verrichtte die zij niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. De Raad vond onvoldoende bewijs voor een gezamenlijke huishouding per 1 april 2003, maar bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand.
De opgelegde boete werd verlaagd conform nieuwe regelgeving, maar bleef gehandhaafd. De Raad veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd.