ECLI:NL:CRVB:2006:AV0135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande, maar gedaagde stelde vast dat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Na onderzoek werd de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd. Appellante betwistte dit, onder meer met het argument dat haar verklaringen onder druk waren afgelegd en dat zij door medicijngebruik niet goed kon overzien wat zij verklaarde.
De Raad oordeelde dat de aanvankelijke verklaringen van appellante betrouwbaar waren en dat er voldoende bewijs was dat appellant zijn hoofdverblijf bij appellante had. Ook het lage energieverbruik in de woning van appellant en verklaringen van buren ondersteunden dit. Verder was er sprake van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling, wat de gezamenlijke huishouding bevestigde.
De Raad stelde vast dat appellante geen recht had op bijstand als alleenstaande over de periode 1 juli 1997 tot 28 februari 2002 en dat de terugvordering terecht was. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering bevestigd.