ECLI:NL:CRVB:2006:AV0191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens ontvangen alimentatie en vaststelling vermogen
Appellante ontving bijstand na haar echtscheiding en kreeg later alimentatie toegekend die betrekking had op een periode waarin zij bijstand ontving. De gemeente stelde het vermogen vast en besloot tot terugvordering van bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
De Raad oordeelde dat de vermogensvrijlating slechts eenmaal kan worden toegepast en dat de peildatum voor terugvordering het moment is waarop de alimentatie daadwerkelijk beschikbaar kwam, namelijk 6 juli 2001. De Raad stelde vast dat de alimentatie niet tijdig was gemeld, maar dat dit niet leidde tot een onrechtmatige bijstandsverlening in de periode daarvoor.
Verder concludeerde de Raad dat schulden aan ouders niet in mindering konden worden gebracht omdat er geen concrete terugbetalingsverplichting bestond. Het besluit tot terugvordering was onvoldoende gemotiveerd en werd vernietigd. De gemeente moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad veroordeelde de gemeente tevens tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Besluit tot terugvordering bijstand wegens alimentatie na 6 juli 2001 blijft in stand; eerdere terugvordering wordt vernietigd en nieuw besluit vereist.