ECLI:NL:CRVB:2006:AV0688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 7 april 1998 een bijstandsuitkering, aanvankelijk als alleenstaande en later als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden van gezamenlijke huishouding met [M.M. Q.] heeft de gemeente Breda een onderzoek ingesteld, waarbij onder meer dossieronderzoek, huisbezoek, verhoren en getuigenverklaringen zijn verzameld.
Op basis van het onderzoek besloot de gemeente het recht op bijstand per 1 maart 2003 te beëindigen omdat appellante en [M.M. Q.] een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en appellante ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante en [M.M. Q.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, mede doordat [M.M. Q.] de kinderen erkende en feitelijk in de woning verbleef. De Raad hecht waarde aan de verklaring van appellante tegenover de sociale recherche en aan observaties en getuigenverklaringen.
De Raad wijst erop dat het aanhouden van verschillende woonadressen niet uitsluit dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, zolang feitelijk samenwonen kan worden vastgesteld. Gezien de omstandigheden is het besluit tot beëindiging van de bijstand terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.
Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het recht op bijstand van appellante is terecht beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.