ECLI:NL:CRVB:2006:AV0696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks afzonderlijke inschrijving
Appellant voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda die de terugvordering van bijstand van appellant bevestigde wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene. Betrokkene ontving bijstand volgens de Algemene bijstandswet (Abw), aanvankelijk als alleenstaande en later als alleenstaande ouder. Na een onderzoek van de sociale recherche concludeerde de gemeente Breda dat appellant en betrokkene vanaf 1 september 1999 tot 1 maart 2003 een gezamenlijke huishouding voerden.
Hoewel appellant en betrokkene op verschillende adressen stonden ingeschreven, oordeelde de Raad dat sprake was van feitelijke samenwoning. Dit werd onderbouwd met verklaringen van betrokkene, observaties en getuigenverklaringen. De Raad verwierp het verweer van appellant dat betrokkene anders had verklaard en dat de tolk haar woorden verkeerd had vertaald.
De Raad stelde vast dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat appellant een bijdrage leverde aan de huishouding. Gezien het niet naleven van de inlichtingenplicht door betrokkene, was de gemeente gerechtigd de ten onrechte verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand aan appellant bevestigd.