ECLI:NL:CRVB:2006:AV0897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.Th. Wolleswinkel
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Geen publiekrechtelijke grondslag voor toekenning bovenwettelijke uitkering bij privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant was sinds 1982 werkzaam bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) en trad in 1998 in dienst bij Vesteda Management B.V., een privaatrechtelijke werkgever. Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ontving appellant een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid ABP/USZO, die later werd ingetrokken omdat Vesteda niet was aangesloten bij USZO B.V. en gedaagde niet als werkgever kon worden aangemerkt.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat hij aanspraak kon maken op een uitkering op grond van de Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering (WUP), maar de Raad overwoog dat de beslissingen over de bovenwettelijke uitkering dateren van vóór de aanvraag van de WUP-uitkering en dat de bestreden beslissing geen publiekrechtelijke grondslag heeft.
De Raad concludeerde dat de beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, zodat geen beroep in de zin van artikel 8:1 Awb Pro openstaat. De rechtbank had zich dan ook onbevoegd moeten verklaren. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om over de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering te oordelen.
Tot slot veroordeelde de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant voor zowel eerste aanleg als hoger beroep en bepaalde dat gedaagde het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: De bestreden beslissing is geen publiekrechtelijke rechtshandeling en de rechtbank is onbevoegd; alleen de burgerlijke rechter is bevoegd.