ECLI:NL:CRVB:2006:AV1184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande sinds 1998, met een onderbreking in 2000. Naar aanleiding van anonieme tips dat appellant samenwoonde en over contant geld beschikte, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit leidde tot herziening en intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van augustus 1998 tot mei 2002 en terugvordering van €12.974,41 en €27,62 wegens een te hoog vermogen.
De rechtbank had vastgesteld dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de aansprakelijkstelling voor vorderingen jegens zijn partner en concludeerde dat appellant en zijn partner sinds augustus 1998 een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de motieven en aard van de relatie niet relevant zijn voor het begrip gezamenlijke huishouding in het kader van de Abw.
De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen recht had op bijstand over de genoemde periode en dat de terugvordering terecht is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.