ECLI:NL:CRVB:2006:AV1945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing hernieuwde aanvraag
Appellante ontving sinds 1999 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na een onderzoek door sociale recherche werd vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, wat leidde tot beëindiging van haar uitkering per 1 mei 2003. Appellante stelde dit in hoger beroep ter discussie en voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van getuigen en registratie van de partner op het adres van appellante, voldoende bewijs vormden voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Ook het feit dat de partner bijdroeg aan de verzorging en kosten werd meegewogen.
Verder werd een hernieuwde aanvraag om bijstand afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een terugkomen op het eerdere besluit rechtvaardigden. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank.
De Raad zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten en wees partijen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: De bijstandsuitkering werd terecht beëindigd wegens gezamenlijke huishouding en de hernieuwde aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.