ECLI:NL:CRVB:2006:AV2501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant was werkzaam als produktiemedewerker op basis van een uitzendovereenkomst die tot medio november 2003 zou duren. Hij beëindigde zijn werkzaamheden op 9 juli 2003 vanwege een verhuizing naar zijn oude woonadres, veroorzaakt door bedreigingen en stress. Gedaagde weigerde daarop de WW-uitkering met ingang van 11 augustus 2003 wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat appellant zijn dienstverband zelf had beëindigd zonder dat er sprake was van een acute noodzaak of medische onderbouwing die dit rechtvaardigde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zich begin juli 2003 ziek had gemeld vanwege stress en depressiviteit, waardoor voortzetting van het dienstverband niet redelijk was.
De Raad overweegt dat appellant onvoldoende nieuwe feiten aanvoert en onderschrijft het oordeel dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. De verhuizing en beëindiging van het dienstverband waren zijn eigen keuze, terwijl het contract nog doorliep en verlengd had kunnen worden. Medische onderbouwing ontbreekt. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.